historische achtergrond

Historische Achtergrond

Inleiding

De overgang van de Negentiende naar de Twintigste Eeuw is het begin van een strijd om homoseksualiteit maatschappelijk aanvaard te krijgen. Het grootste deel van de Twintigste Eeuw werd gekenmerkt door repressie van homoseksueel gedrag. Pas in de jaren ’70 wordt de weg ingeslagen naar tolerantie en acceptatie.

Het einde van de Twintigste Eeuw laat het einde zien van de strijd voor gelijke rechten. Met het toekennen van het recht aan homoseksuelen om te mogen trouwen en kinderen te adopteren, hebben homoseksuelen nu dezelfde rechten als heteroseksuelen.

Wettelijk gezien is de emancipatie van homoseksuelen voltooid, maar tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de sociale emancipatie nog een lange weg te gaan heeft. Homofobie, discriminatie en openlijke geweldpleging tegen homoseksuelen bestaan nog steeds. In diverse openbare instellingen (bijvoorbeeld scholen en sportclubs) overheerst nog altijd de heteronorm, waardoor homoseksuelen weinig geneigd zijn openlijk voor hun geaardheid uit te komen. Hierdoor wordt het integratieproces bemoeilijkt.

Al met al is het nu een goed moment om de balans op te maken van honderd jaar homo-emancipatie in Nederland. Vanaf de jaren ’80 van de twintigste eeuw zijn hierover studies verschenen. Het gros hiervan verhaalt over de politieke strijd of de repressie ervan. Het is echter ook van belang om inzicht te krijgen in de leefomstandigheden van homoseksuelen. En juist dit onderwerp is onderbelicht gebleven.

Veel van wat oudere generaties homoseksuelen hebben meegemaakt, is nooit opgetekend en dus met de dood in het graf verwenen. Slechts enkelen hebben de fragmenten van hun leven vereeuwigd in dagboeken, fotoalbums en briefwisselingen. We kunnen gerust aannemen dat wat van deze egodocumenten bewaard en openbaar gemaakt zal worden, nog veel kleiner zal zijn. Het is dus van belang om zoveel mogelijk materiaal op te sporen en toegankelijk te maken. Naast dit speurwerk is het ook mogelijk om door middel van interviews deze bronnen te creëren. Een belangrijke voorwaarde is wel dat de mensen nog leven en dat zij geestelijk en lichamelijk in staat zijn om over hun verleden juiste gegevens te vermelden.

Alleen voor de naoorlogse periode is dit mogelijk. Gelukkig zijn dit ook de jaren waarin er sprake is van een omslag van repressie naar tolerantie. Een Oral History project kan dus heel goed deze overgang weergeven en de effecten ervan op de leefwereld van homoseksuele vrouwen en mannen onthullen.

Met Roze Verleden wil het Anna Blaman Huis en Stichting IHLIA de levensverhalen van Friese homoseksuelen uit de twintigste eeuw optekenen en toegankelijk maken. Zodoende kan een groot publiek kennis nemen van de leefwerelden van homoseksuelen en ervaren hoe anders deze tijd voor hen was.

Historisch Overzicht

Tot nu toe is er nog niet een cultuur geweest die homoseksualiteit dezelfde status toekent als heteroseksualiteit. Wel zijn er grote verschillen aan te wijzen in de houding van culturen ten opzichte van homoseksueel gedrag. Tolerante culturen uit het verleden zijn bijvoorbeeld die van Hellas en Polynesië. Minder verdraagzaam is  de Europese cultuur van de late Oudheid tot ver in de twintigste eeuw geweest. Christelijke normen en waarden lieten geen twijfel bestaan over de zondigheid van de liefdesdaad tussen mannen onderling.
Hoe groot het taboe op homoseksualiteit was, blijkt uit de aanduiding van homoseksualiteit als ‘de stille zonde’. Blijkbaar was het uitspreken van het woord ‘sodomie’ al genoeg om verdacht te zijn van deze seksuele voorkeur.

Moderne Tijd (1600-1800)

Met het uitbreken van de Nederlandse Opstand kreeg ook het Calvinisme vaste voet aan de grond. Evenals de katholieken in de Middeleeuwen, legden protestanten sodomieten de doodstraf op.
Tot 1730 vond nauwelijks vervolging plaats. In de jaren 1730-1732 werd de Republiek geteisterd door een heuse heksenjacht op sodomieten. Honderden zaken werden aangespannen en ongeveer 100 mannen werden geëxecuteerd.
Het jaar 1730 is eveneens het begin van het ontstaan van een cultuur van sodomieten. Vriendenclubs werden opgericht en ontmoetingsplekken gecreëerd.

Met de Verlichting ontstond er voor het eerst ruimte voor andere opvattingen. Verlichters spraken zich uit tegen de zware repressie en pleitten juist voor het nemen van preventieve maatregelen.

Franse Revolutionairen gingen nog een flinke stap verder: zij schrapten sodomie uit het Wetboek van Strafrecht. Na de verovering van Nederland, volgden de patriotten het Franse voorbeeld. De laatste executie van een sodomiet vond plaats in 1803 in Schiedam

Negentiende Eeuw

Na de Franse Tijd kregen conservatieven het weer voor het zeggen. Pleidooien voor het strafbaar stellen van tegennatuurlijke ontucht, leidden echter niet tot aanpassing van de strafwet. Later waren de liberalen evenmin hiertoe geneigd.

Halverwege de negentiende eeuw ontlook in de kunstwereld een licht-erotische literatuur. Bedekte termen als ‘van de liefde die vriendschap heet’ gaven schrijvers als Willem Kloos, Albert Verwey en Louis Couperus uiting aan hun verlangens. Toch kozen zij allen voor een heteroseksueel burgerlijk bestaan. De enige die dat niet deed was Jacob Israël de Haan. Hij had zelfs het lef om de eerste openlijk homoseksuele roman in Nederland te schrijven én uit te geven (Pijpelijntjes, 1904).

Halverwege de negentiende eeuw gingen de staat en de medische stand zich meer bemoeien met de volksgezondheid. Dit betekende dat ook onderzoek werd gedaan naar de aard van ‘tegennatuurlijke ontucht’. Specialisten bedachten hiervoor een nieuwe term: ‘homoseksualiteit’(1869). Zij omschreven homoseksualiteit in de regel als een lichamelijke en/of psychische afwijking. Sommigen gingen zover om homoseksualiteit te beschouwen als een vorm van krankzinnigheid. Een klein aantal specialisten was het hier niet mee eens en reageerden met wetenschappelijk beargumenteerde pleidooien voor het anders zijn.

1900-1940

Na 1900 was de tijdgeest onverbiddelijk in het voordeel van de tegenstanders van homoseksualiteit. Christelijke partijen zagen hun aanhang en macht groeien, waardoor zij in staat werden gesteld om hun normen aan de maatschappij op te leggen.  Dit betekende onder andere een aanpassing van de seksuele wetgeving.  Voortaan was elk homoseksueel contact van een meerderjarige met een minderjarige tussen de 16 en 21 jaar oud, verboden. Heteroseksueel contact mocht wel! Op grond van deze wet, artikel 248bis, had de politie het recht om verdachten te registreren en in de gaten te houden.

Verzet tegen deze discriminerende wet werd gevoerd door het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK). Deze organisatie, opgericht door Jonkheer Schorer in 1912, hield zich bezig met het steunen en verspreiden van wetenschappelijk onderzoek over homoseksualiteit. Hierdoor hoopte hij meer begrip te krijgen voor wat vele mensen in die tijd zagen als een ‘afwijking’.

De Nederlandse overheid voerde doelgericht actie om te verhinderen dat er een netwerk van homoseksuele verenigingen en ontmoetingsplaatsen zou ontstaan. In Amsterdam werd hiervoor in 1920 speciaal iemand voor aangenomen: brigadier Jasper van Opijnen. Tot 1946 verzamelde hij informatie, hield hij lijsten van homoseksuelen bij en deed hij invallen in homobars en andere gelegenheden om te voorkomen dat homoseksuelen zich gingen verenigen.

Lange tijd had het beleid van Van Opijnen succes. Pas in 1940 ontstond een tweede vereniging die zich inzette voor de homo-emancipatie. Niek Engelschman en Jaap van Leeuwen richtten toen een vereniging op die het eerste homotijdschrift van Nederland uitgaf: Levensrecht, Maandblad voor Vriendschap en Vrijheid. Een lang leven zou dit tijdschrift niet leiden.

Tweede Wereldoorlog

De Duitse bezetting zou vijf jaar lang duren. De hoogste man in Nederland werd de Oostenrijkse nazi Seyss-Inquart. Hij kon rekenen op steun van de fascistische Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert. Maar daarnaast werkten Nederlandse ambtenaren die niet lid waren van deze partij ook gewoon mee. Verzet kwam slechts op kleine schaal voor. Pas tegen het einde van de oorlog gingen zich meer Nederlanders tegen de Duitsers keren.

De Duitse nazi’s beschouwden de Nederlanders als een Germaans ‘ras’. Om het Nederlandse volk raszuiver te krijgen, werden ook hier dezelfde maatregelen genomen als in Duitsland al eerder was gebeurd: vervolging van etnische minderheden als Joden en Sinti/Roma. De nazi’s waren ook vastbesloten om homoseksuelen in Nederland te vervolgen.

De twee homoseksuele organisaties waren goed op de hoogte van wat zich eerder in Duitsland had afgespeeld. De redactie van Levensrecht vernietigde meteen na de Duitse inval de gehele administratie, zodat de nazi’s het abonneebestand niet in handen zouden krijgen. Schorer vernietigde ook zijn archief en hief de NWHK op. De Gestapo deed in juni huiszoeking deed bij Schorer, maar vond geen onthullende informatie. Schorers bibliotheek werd wel in beslag genomen en naar Berlijn gezonden. De boeken en geschriften zijn daar waarschijnlijk vernietigd.  De oude man zelf werd door de Duitsers met rust gelaten.

Toen de nazi’s vernamen dat er geen homoseksuele organisaties meer actief waren in Nederland gingen zij over tot de volgende stap: verscherping van anti-homoseksuele wetgeving. Eind juli maakte Seyss-Inquart met Verordening 81 elke vorm van homoseksueel contact tussen mannen strafbaar. Contacten tussen volwassenen kregen een maximale straf van vier jaar. Contacten tussen een volwassene en een minderjarige tien jaar. Mannelijke prostitués kregen ook tien jaar plus een maximale werkstraf van drie jaar.

De volgende stap bestond uit het en registreren van alle homoseksuelen in het land. Van een aantal steden, zoals Amsterdam en Den Haag, had de Nederlandse zedenpolitie al voor de oorlog roze lijsten opgesteld. Aan alle politiekorpsen in Nederland werd gevraagd deze lijsten op te sturen naar de Rijksrecherchecentrale in Den Haag, zodat één landelijke database kon worden samengesteld. De politie werkte mee en verschafte de gevraagde informatie.

De vierde stap werd gezet in 1943. Toen werd een opsporingsapparaat opgezet. Vanuit Den Haag gaf het Commissariaat Zedendelicten van de Recherchecentrale opdrachten aan de uitvoerende secties van de zedenpolitie in de grote steden.

In 1943 was de Duitse bezetter optimaal voorbereid voor een doeltreffende landelijke actie om homoseksuelen op te sporen, te arresteren en te vervolgen. Toch is dit niet op grote schaal gebeurd. Het totaal aantal veroordeelden voor overtreding van Verordening 81 bedraagt 128. Een klein aantal homoseksuelen is naar werkkampen in Nederland gestuurd. Een enkeling naar een concentratiekamp. Waarom hebben de Duitsers niet meer homo’s vervolgd?

Het lijkt erop dat de nazi’s voorrang hebben gegeven aan de Jodenvervolging. Dit is namelijk wel op grote schaal gebeurd: meer dan 100.000 van de 124.000 Joden is opgepakt en naar concentratie –en vernietigingskampen afgevoerd. De politie, die de Duitsers bij het oppakken en transporteren van Joden hielp, had simpelweg niet genoeg agenten in dienst om ook nog homoseksuelen te arresteren. Daar komt nog bij dat de politie op jacht moest naar mannen die de Arbeidsdienst hadden ontdoken. Het politieapparaat was dus al overbezet.

Dit neemt niet weg dat de angst onder homoseksuelen om opgepakt te worden zeer groot moet zijn geweest. Zij hadden geen enkel recht en konden op weinig steun rekenen. Met vrienden moest zo weinig mogelijk contact worden gemaakt. Gevoelens moesten diep verborgen worden gehouden.

Jaren ’50 en ‘60

5 mei 1945: Heel Nederland is bevrijd, de mensen vieren feest. Vijf zware oorlogsjaren zijn voorbij. Maar lang duurt de feeststemming niet, want het land ligt in puin: huizen en fabrieken verwoest, goederen weggesleept en land onder water gezet. Iedereen moet hard werken om Nederland weer op te bouwen. De regering wil naast een economische ook een morele wederopbouw. Losbandig seksueel gedrag wordt hard aangepakt, asociale gezinnen worden heropgevoed. Nederland moet weer een fatsoenlijk land worden.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende voor de positie van homoseksuelen een lichte verbetering. Verordening 81 werd afgeschaft, maar artikel 248bis bleef wel gehandhaafd. Ook bleef de zedenpolitie homoseksuelen nauwlettend in de gaten houden.

De kleine homobeweging pakte in 1946 de draad weer op. Het blad Levensrecht  werd opnieuw uitgegeven met Schorer als erelid. Drie maanden later werd een emancipatiebeweging opgericht met als schuilnaam de Shakespeare Club. Drie jaar later omgedoopt in Cultureel Ontspanningscentrum (COC).

Het COC kreeg in de jaren ’50 meer en meer leden. Tegelijkertijd groeide ook het aantal veroordeelden van overtreding van 248bis. Pas in de jaren ’60 werd de situatie voor de homoseksuelen beter. De Nederlandse samenleving maakte een grote verandering door. Jongeren en vrouwen eisten meer vrijheid om hun eigen leven te leiden. Ook homo’s en lesbiennes gingen de straat op om gelijke rechten te eisen. In Nederland groeide het begrip voor homoseksualiteit. Anders-zijn werd niet langer gezien als een ‘afwijking’, maar als een keuze of natuurlijk gegeven.

1970-2000

De politiek volgde de veranderde maatschappelijke opvattingen. In 1971 werd artikel 248bis uit het wetboek van Strafrecht verwijderd. Homoseksualiteit was nu niet langer strafbaar. Organisaties als het COC konden ongehinderd opkomen voor de rechten van homoseksuelen. Nederland werd in de jaren ’80 en ’90 zelfs het meest homovriendelijke land ter wereld. Amsterdam groeide uit tot de gay and lesbian capital of Europe. In 2001 vond de homo-emancipatie vrijwel zijn voltooiing met de wettelijke erkenning van het homohuwelijk.
De afhandeling van het oorlogsverleden volgde hetzelfde spoor. Lange tijd erkende de Nederlandse staat vervolgde homoseksuelen tijdens de oorlog niet als slachtoffers van de nazi’s. Dit betekende dat zij geen recht hadden op een speciale uitkering, die voormalige verzetsstrijders en Joodse overlevenden wel kregen. Twaalf jaar strijd was nodig om de Nederlandse regering in 1986 zover te krijgen dit alsnog te doen.
 De veranderde houding van de overheid tegenover de homovervolging tijdens de oorlog blijkt ook uit de financiële steun die zij gaf voor de bouw van een monument ter nagedachtenis aan de homoseksuele slachtoffers van geweld. Dit homo-monument werd in 1987 in Amsterdam officieel geopend. 
 In 2000, tenslotte, erkende de Nederlandse regering dat “de Nederlandse autoriteiten na de Tweede Wereldoorlog te weinig oog hadden voor het menselijke aspect van het leed dat slachtoffers van de nazi’s hadden ondergaan.” Meer dan 50 jaar na dato kwam er eindelijk geld beschikbaar voor het uitvoeren van historisch onderzoek. Veel is echter verloren gegaan en de meeste getuigen zijn inmiddels overleden.